In mijn ooghoek leef je nog

In mijn ooghoek leef je nog

Zomaar ben je verdwenen, is ons huis verstild van jouw praten. Ligt je naam op mijn lippen, als ik de kamer binnenloop en slik ik hem net op tijd weer in, als ik herinner dat je niet meer antwoord.

Mijn ogen gefixeerd op mijn computerscherm, ben je plots daar in mijn rechter ooghoek, op de poef naast mijn stoel. Ohnee, dat ben jij niet. Jouw gevlekte kopje was zwart-wit, niet grijs-wit zoals die van haar. Alleen mijn ooghoek ziet het verschil niet.

Ooghoeken zijn niet bewust van jouw vertrek en doen je zelfs leven op plekken waar je anders nooit zou komen. Daar links onder die stoel in de trein sluip je over de vloer, in de vorm van een zwarte schoen die langzaam naar voren schuift.

Of in die droom vannacht waarvan ik de rafels niet aan elkaar kan knopen om als nieuwe herinnering met jou vast te leggen in mijn mentale fotoboek.

In mijn ooghoek leef je nog, als een lief spookje, zoals de naam die we je gaven. Maar als ik je wil bekijken en mijn hoofd naar je draai, dan ben je die schoen, die andere poes, of een droom die als mist in de ochtendzon verdampt.

Dan ben je enkel in mijn verleden en raak ik met elke nieuwe dag verder weg van je bestaan. Blijf ik achter in dankbaarheid voor jouw komst, maar wil mijn ooghoek je niet laten gaan.